#127: Het trage malen van gerechtelijke molens

In strafzaken staat de waarheidsvinding voorop. De discussie over de vraag of de waarheid überhaupt bestaat daargelaten, zijn er vele factoren van invloed op het achterhalen of benaderen van de waarheid. Zo zal relevante informatie door verloop van tijd niet altijd meer beschikbaar zijn. In veel gevallen zullen de verklaringen die verdachten en getuigen kunnen afleggen omtrent de vermeende strafbare gedraging, een van de belangrijkste bronnen zijn om de waarheid te achterhalen. Door verloop van tijd kunnen de herinneringen van verdachten en getuigen vervagen. Ook kunnen herinneringen veranderen. Hoewel overschrijding van de redelijke termijn om een strafzaak te behandelen in beginsel leidt tot strafvermindering (zie daartoe HR 17 juni 2008), is onlangs de nodige jurisprudentie verschenen waarin het Openbaar Ministerie een ‘tik op de vingers’ heeft gekregen voor het te lang wachten met het aanbrengen van de zaak, waardoor de waarheidsvinding in het gedrang is gekomen. Ons inziens een juiste ontwikkeling.

Zo heeft Hof Den Haag op 2 februari 2015 het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk verklaard omdat de beginselen van een behoorlijke procesorde wezenlijk zijn geschonden. Het ging in deze zaak over strafbare feiten – een verdenking van opzettelijke invoer van cocaïne – die dateren van maart 2004. De inhoudelijke behandeling van het hoger beroep heeft plaatsgevonden in januari 2015. De oorzaak van de vertraging lag niet bij de verdediging, maar was – volgens het Hof – te wijten aan het stilzitten van de rechter-commissaris. Er was vijf jaar gemoeid geweest met het horen van vier getuigen die in oktober 2008 reeds waren toegewezen. Op zitting – in januari 2015 – dienden nog acht getuigen te worden gehoord over feiten die meer dan tien jaar daarvoor hadden plaatsgevonden. De advocaat-generaal heeft in deze zaak hand in eigen boezem gestoken en de niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie gevorderd. Het Hof heeft het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk verklaard en overwoog dat sprake was van een andere situatie dan in het arrest van de Hoge Raad van 17 juni 2008. In het onderhavige geval was niet enkel sprake van overschrijding van de redelijke termijn, ook het ondervragingsrecht en de waarheidsvinding konden niet worden gewaarborgd. Het Hof oordeelde dat sprake was van een schending van artikel 6 EVRM.

Rechtbank Amsterdam heeft bij vonnis van 27 mei 2015 in een andere zaak het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk verklaard wegens het overschrijden van de redelijke termijn. In dit geval ging het om feiten uit 2005. In juli 2008 zijn twee getuigen gehoord en ter zitting datzelfde jaar is beslist dat nog twee getuigen gehoord moesten worden. De vervolgens in januari en augustus 2013 geplande zittingen zijn op verzoek van het Openbaar Ministerie niet doorgegaan. De oproeping voor de zitting in juli 2014 is nietig verklaard. Eerst op 27 mei 2015 vond een regiezitting plaats. De Rechtbank oordeelde dat dit tijdsverloop niet te wijten was aan de verdediging. De Rechtbank overwoog verder dat dit tijdsverloop negatieve gevolgen had voor de deugdelijkheid en de grondigheid van de ondervraging van de getuigen. Partijen werden hierdoor ‘zodanig belemmerd in hun zoektocht naar de feiten en de mogelijkheid die op deugdelijke wijze te waarderen dat de beginselen van een behoorlijke procesorde door het tijdsverloop wezenlijk en irreparabel geschonden zijn.’ De Rechtbank concludeerde dat deze zaak anders was dan andere zaken waarin gerechtelijke molens traag malen en dat het niet slechts ging om een overschrijding van de termijn die zich door strafvermindering kon laten compenseren. De Officier van Justitie werd niet-ontvankelijk verklaard.

Ook Rechtbank Oost-Brabant verklaarde het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk op 23 juni jl. Het geanonimiseerde vonnis is gepubliceerd op bijzonderstrafrecht.nl. Het strafbare feit waarvan de verdachte in die zaak werd verdacht zou zijn gepleegd op 15 juni 2011, op diezelfde dag was de verdachte ook aangehouden en verhoord. De verdachte was echter eerst vier jaar en twee dagen later pas gedagvaard voor de behandeling van de zaak. De politierechter verklaarde de officier van justitie niet-ontvankelijk in de vervolging. De politierechter overwoog daarbij: ‘De officier van justitie heeft de zaak vier jaar laten liggen. Zij heeft voor deze vertraging geen enkele verschoonbare reden aangevoerd. De door de officier van justitie genoemde organisatorische redenen komen voor rekening van het Openbaar Ministerie. Verdachte en zijn raadsman hebben niet voor vertraging gezorgd.’ De verdachte was in zijn verdedigingsbelang geschaad door het verstrijken van de tijd. Dat woog op tegen het maatschappelijk belang van de vervolging voor de vermeende vernieling van een rolluik. De invloed van het tijdsverloop op de mogelijkheid de waarheid te achterhalen werd ook hier te groot geacht. Ons inziens is deze ontwikkeling, waarin meer waarde wordt gehecht aan de belangen van de verdediging, terecht.

Wat is jouw ervaring in dit soort gevallen? Hebben rechters oog voor de verdedigingsbelangen indien zaken te lang op de plank zijn blijven liggen?

Geen reacties

Plaats een reactie