#125: De bal ligt opnieuw bij de verdediging

Ingevolge het tweede lid van art. 344 Sv kan het bewijs, dat de verdachte het tenlastegelegde feit heeft gepleegd, door de rechter worden aangenomen op enkel een door een bevoegd opsporingsambtenaar op ambtseed opgemaakt proces-verbaal. In de afgelopen periode is veel kritiek geweest op ambtsedige processen-verbaal. Wij besteedden hier al meerdere keren aandacht aan op vaklunch.nl. Niet zelden blijken er cruciale fouten in processen-verbaal te zitten en is het moeilijk voor de verdediging om hier achter te komen. De verdediging staat dus met twee nul achter indien een belastend proces-verbaal is opgemaakt; juist of onjuist. De belangrijke bewijswaarde van een ambtsedig proces-verbaal blijft echter een gegeven. Opmerkelijk is wel dat ook dezelfde bewijswaarde aan een ambtsedig proces-verbaal wordt gegeven op het moment dat de ambtenaar eveneens slachtoffer is. Hierover is geklaagd bij de Hoge Raad met een arrest van 7 juli 2015 als resultaat.

In de bijbehorende conclusie van 26 mei 2015 licht advocaat-generaal mr. Bleichrodt uitgebreid toe waarom een bijzondere bewijswaarde aan een ambtsedig proces-verbaal wordt toegekend. Verondersteld wordt (onder meer) dat opsporingsambtenaren getrainde en op hun terrein deskundige waarnemers zijn die – zo objectief mogelijk – alles vastleggen dat voor de beoordeling van het mogelijk strafbaar handelen relevant kan zijn. De vraag is dan of een opsporingsambtenaar in slachtofferrol eveneens objectief is? De Hoge Raad heeft in 1934 reeds geoordeeld dat artikel 344 lid 2 Wetboek van Strafvordering geen uitzondering maakt voor feiten die tegen de opsporingsambtenaar zelf zijn gepleegd (vgl. HR 31 december 1934, NJ 1935, p. 373). In het arrest van 7 juli 2015 herhaalt de Hoge Raad ditzelfde standpunt. De genoemde bepaling maakt immers geen uitzondering voor feiten die tegen de opsporingsambtenaar zelf zijn gepleegd, aldus de Hoge Raad. Niettemin wordt daar de volgende overweging aan toegevoegd:

“ Art. 338 Sv houdt in, voor zover hier van belang, dat het bewijs dat de verdachte het tenlastegelegde feit heeft begaan, door de rechter slechts kan worden aangenomen indien hij daarvan de overtuiging heeft bekomen. Het staat de rechter dus vrij een proces-verbaal van een opsporingsambtenaar niet tot het bewijs te laten meewerken ingeval hij op grond van de bijzondere omstandigheden van het geval – zoals de omstandigheid dat het strafbare feit tegen de opsporingsambtenaar zelf is gepleegd – onvoldoende ervan overtuigd is dat ook in de voorliggende zaak het vertrouwen in de betrouwbaarheid van het proces-verbaal ten volle gerechtvaardigd is.”

De bal ligt dus opnieuw bij de verdediging. Het is aan de verdediging om middels een nadrukkelijk onderbouwd standpunt de rechter ervan te overtuigen dat de bewijswaarde van het ambtsedige proces-verbaal in het betreffende geval onjuist of onbetrouwbaar is. Bijvoorbeeld omdat, gezien de slachtofferrol van de politieambtenaar, hij geen objectief proces-verbaal heeft opgemaakt.

Daarbij ligt wellicht een rol voor de wetgever. De Hoge Raad oordeelt immers ‘keurig’ in lijn met de letterlijke tekst van de wet. Wij menen dat met de modernisering van het Wetboek van Strafvordering aandacht besteed zou moeten worden aan bovengenoemde situatie. Waarom heeft een ambtsedig proces-verbaal nu werkelijk een bijzondere bewijswaarde? En gaat die reden eveneens op indien de betreffende opsporingsambtenaar in een slachtofferrol verkeert? Wij menen dat in dat geval niet dezelfde bewijswaarde aan een proces-verbaal kan worden toegekend want een politieambtenaar die bijvoorbeeld mierenneuker wordt genoemd, kan niet objectief handelen. Emoties spelen dan een rol waardoor de geïmpliceerde objectiviteit van een opsporingsambtenaar komt te vervallen of vermindert.

Vind jij dat – ondanks dit arrest van de Hoge Raad – dezelfde bewijswaarde aan een ambtsedig proces-verbaal moet worden toegekend op het moment dat het vermeende strafbare feit tegen de ambtenaar zelf is gepleegd?

Geen reacties

Plaats een reactie