#115: De kracht van retorica ter zijde geschoven

Al geruime tijd bestaan er zorgen over de werkdruk bij de rechterlijke macht. Deze druk heeft tot gevolg dat rechters zuinig met zittingstijd omgaan. Dit resulteert regelmatig in een discussie tussen de verdediging en de rechterlijke macht over de pleittijd van de advocaat. Rechters vinden veelal dat advocaten te lang van stof zijn en proberen de pleittijd van de advocaat in te perken. Maar hoe verhoudt dit zich tot het recht van de verdediging om aan te voeren wat haar in het belang van de verdediging dienstig voorkomt? De Hoge Raad heeft op 26 mei 2015 hierover een belangrijk arrest gewezen.

In de betreffende zaak had de verdediging verzocht om een dag pleittijd. Het Hof besloot dat beide advocaten in de betreffende zaak konden volstaan met een gezamenlijk maximum van 3 uur pleittijd. Het Hof gaf de verdediging daarbij in overweging de pleitaantekeningen voorafgaande aan de zitting aan het Hof toe te zenden. In de uitspraak onderbouwt het Hof zijn beslissing om de spreektijd van de verdediging te beknotten nog aan de hand van een aantal omstandigheden. Allereerst stelt het Hof dat de verdediging tijdens eerdere zittingen al ruim vele uren aan het woord is geweest, dat er sprake is van een voortbouwend appel, dat de beperking van de spreektijd ruim van tevoren aan de verdediging bekend is gemaakt en dat er zeer uitgebreide pleitnota’s in eerste aanleg zijn overgelegd welke verweren in hoger beroep uitdrukkelijk kunnen worden herhaald. Tot slot overwoog het Hof dat de verdediging gebruik heeft gemaakt van de suggestie van het Hof om de pleitaantekeningen voor een groot gedeelte op voorhand toe te sturen.

In cassatie stelt verzoeker dat de raadsman van de verdachte die overeenkomstig artikel 311 tweede lid Sv in verbinding met artikel 331 eerste lid Sv het woord voert, het recht heeft aan te voeren wat hem in het belang van de verdediging dienstig voorkomt en daaruit leidt de steller van het middel af dat onbeperkt het woord ter verdediging mag worden gevoerd. De Hoge Raad oordeelt dat het spreekrecht van de verdediging van zo grote betekenis is dat niet-nakoming daarvan in het algemeen leidt tot nietigheid van het onderzoek ter terechtzitting (vgl. HR 23 maart 1993, ECLI:NL:HR:1993:ZC9251, NJ 1993/696). Echter de Hoge Raad oordeelt vervolgens dat – anders dan in het middel wordt betoogd – dit niet betekent dat de raadsman het recht heeft gedurende onbeperkte tijd het woord ter verdediging te voeren. In zijn algemeenheid kan dus niet worden gesteld dat het beperken van de pleittijd van de verdediging in strijd is met artikel 311 Sv of dat een dergelijke beperking steeds in strijd is met artikel 6 EVRM.

Het criterium dat het Hof hanteert – en door de Hoge Raad wordt gehonoreerd – is of de verdachte door de beperking van de spreektijd voor pleidooi in zijn belangen is geschaad. Indien de rechter de spreektijd van de verdediging beknot, dan zal de verdediging dus moeten betogen waarom een dergelijke beperking de verdediging schaadt. Naar aanleiding van de omstandigheden die volgens het Hof hebben geleid tot een rechtvaardige beperking van de spreektijd, vragen wij ons af of de verdediging in het vervolg de pleitaantekeningen niet meer op voorhand aan de rechter moet toesturen. Immers kan in dat geval met een beknopte verwijzing naar de pleitaantekeningen een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt worden gecreëerd en dus de spreektijd gerechtvaardigd worden beperkt.

Daarbij vragen wij ons af hoe het zit met de rechterlijke overtuiging en in dat kader de overtuigingskracht van de advocaat. Moet de verdediging niet juist in de gelegenheid worden gesteld om mondeling haar visie op het dossier met de rechter te delen? Net als de zorgen die de verdediging heeft over de wijze waarop het onderzoek is verricht en eventuele andere mankementen? Zonder die gelegenheid verwordt de overtuigingskracht enkel tot het geschreven logos. Wij menen dat de verdediging in haar belangen wordt geschaad indien zij in de twee andere pijlers van de retorica – de pathos en ethos – wordt beperkt. De verdediging kan en mag niet beperkt worden tot het geschreven woord. Daarvoor zijn teveel ander factoren relevant bij de overtuigingskracht. Daarbij doet de advocatuur er overigens in voorkomende gevallen goed aan de hand in eigen boezem te steken. Een lang pleidooi is niet per definitie overtuigend.

Ben jij wel eens beperkt in de pleittijd in een zaak en waarom? Heeft dat de verdediging geschaad? En hoe ga jij met een dergelijke beperking om?

Tags:
Geen reacties

Plaats een reactie