#108: Redelijk en billijk?

Op grond van artikel 591a Sv kan de gewezen verdachte de rechter verzoeken om onder meer een vergoeding van de advocaatkosten. De kosten komen voor vergoeding in aanmerking voor zover die kosten ten laste van de (ex-)verdachte zijn gekomen. Het gaat om zaken die zijn geëindigd zonder oplegging van straf of maatregel. Dat wil zeggen dat alleen de kosten worden vergoed als de verdachte is vrijgesproken of indien de zaak is geseponeerd. De rechter toetst marginaal. Beslissend is daarbij of in het concrete geval voor toekenning van zo’n vergoeding gronden van redelijkheid en billijkheid aanwezig zijn. Bij dat oordeel dient men rekening te houden met alle omstandigheden van het geval. Bepaald dient te worden of de tijd die aan de behandeling van de zaak is besteed, redelijk is geweest en of die tijd tegen een redelijk tarief is gedeclareerd. Maar wanneer is nu sprake van redelijkheid of billijkheid?

Onlangs kende Rechtbank Noord-Holland slechts een deel van de verzochte kosten van de raadsman toe. Dit terwijl het Openbaar Ministerie in dat geval zich niet had verzet tegen de vergoeding van de gevraagde kosten. In deze zaak was de verdachte op 14 mei 2014 door de politie aangehouden in verband met een verdenking van diefstal. Hij is verhoord en heengezonden. De advocaat heeft op 7 juli 2014 en 17 september 2014 contact gehad met het Openbaar Ministerie. Op 13 oktober 2014 is aan de advocaat medegedeeld dat de zaak zou worden geseponeerd. De Rechtbank heeft het billijk geacht een vergoeding toe te kennen voor deze werkzaamheden (inclusief kantoorkosten en btw). De werkzaamheden die zien op het bestuderen van stukken en bestudering van het dossier zijn niet voor vergoeding in aanmerking gekomen, aldus Rechtbank Noord-Holland. De reden daarvoor was dat in het geval volstrekt onduidelijk was of een verdachte (verder) vervolgd zou worden en er geen aanleiding bestond om dergelijke kosten voor rekening van de Staat te brengen. Ons inziens is dit een bijzondere overweging. Als het onduidelijk is of de verdachte verder vervolgd zal worden, dan is het aan de advocaat om ‘de mouwen op te stropen’. Bestudering van het dossier behoort in dat geval tot het takenpakket van de advocaat die zijn werk uitoefent. Alleen door het dossier te bestuderen kan de advocaat ontdekken of er redenen zijn de officier te verzoeken niet over te gaan tot vervolging, dan wel te verzoeken onderzoekshandelingen te verrichten. Zeker nu de wetgever en de Hoge Raad een actieve houding van de advocaat verwachten gedurende het opsporingsonderzoek, mag het niet aan de verdachte worden tegengeworpen dat zijn advocaat het dossier in een vroegtijdig stadium bestudeerd.

In een andere zaak – die eveneens was geseponeerd – heeft Hof Arnhem de verzochte vergoeding voor de verrichte werkzaamheden wel toegewezen. Het Hof is vrij kort in de motivering ervan: “Het hof acht gronden van billijkheid aanwezig om verzoeker een vergoeding toe te kennen voor de gemaakte kosten voor rechtsbijstand tot het moment van ontvangst van de sepotmededeling (…).

Waarom worden kosten in het ene geval wel vergoed en in het andere geval niet? Wellicht dat in het laatste geval het verzoek om kostenvergoeding beter is onderbouwd. Of waren gronden van billijkheid aanwezig nu deze (ex-)verdachte reputatieschade heeft geleden – onder meer door onterechte detentie – en ook daarvoor een vergoeding is toegekend? Uit de – overigens niet altijd gepubliceerde – jurisprudentie is niet altijd op te maken wat de doorslaggevende factor is geweest in het al dan niet toekennen van een vergoeding van kosten van de raadsman.

Een eenduidig antwoord op de vraag uit de inleiding – wanneer is sprake van redelijkheid of billijkheid – is daarom niet te geven. De jurisprudentie is zeer uiteenlopend en laat zien dat er zuinige rechters zijn en royale. Nu geen mogelijkheid bestaat om cassatie in te stellen worden er ook geen eenduidige richtlijnen gesteld. Onderscheid wordt gemaakt tussen de complexe zaken waar specialistische kennis van de bewuste materie vereist is en minder complexe zaken waarin dat niet het geval is. De jurisprudentie maakt wel duidelijk dat het van belang is om het verzoekschrift zorgvuldig te onderbouwen. De hoogte van het uurtarief dient in voorkomende gevallen te worden toegelicht en in vrijwel alle gevallen dient te worden toegelicht waarom bepaalde werkzaamheden zijn verricht.

Wat is jouw ervaring met verzoeken ex artikel 591a Sv? Kennen rechters het verzoek veelal toe of juist niet? En wat zijn in de regel doorslaggevende factoren?

Geen reacties

Plaats een reactie