#105: De FIOD, wat nu?

De meeste bedrijven zullen nooit te maken krijgen met een FIOD-inval. Komt de FIOD echter wel op bezoek, dan hebben sommige bedrijven nog wel ergens een stoffig protocol met ‘Een FIOD-inval, wat nu?’ liggen, maar op het moment suprême weet niemand wat te doen. De FIOD maakt hier handig gebruik van door gedurende zo’n inval (of nadien) uitgebreid vragen te stellen aan werknemers over de verdachte rechtspersoon. Wij menen echter dat aan werknemers van een verdachte rechtspersoon een zwijgrecht toekomt. Of dat de werknemer tenminste op zijn rechten moet worden gewezen als getuige.

In artikel 29 van het Wetboek van Strafvordering is het zwijgrecht van een verdachte neergelegd. Indien een rechtspersoon verdachte is, dan is de vraag aan wie dit zwijgrecht toekomt. In de jurisprudentie van de Hoge Raad is uitgemaakt dat vertegenwoordigers van een rechtspersoon een zwijgrecht toekomt.[1] Voor de vraag of een persoon bevoegd is om namens de rechtspersoon op te treden, is in het civiele recht van belang of hij krachtens wet, statuten of een afzonderlijke volmacht gerechtigd is de betreffende rechtshandeling in naam van de rechtspersoon te verrichten, bijvoorbeeld een gevolmachtigde fiscaal adviseur. Ons is geen jurisprudentie bekend betreffende de vraag of gevolmachtigde van de rechtspersoon als vertegenwoordiger een zwijgrecht toekomt. Niettemin is duidelijk dat werknemers hier in beginsel niet onder vallen. Dit is onlangs nog bevestigd in de jurisprudentie op rechtbank niveau. Op 21 maart 2014 oordeelde rechtbank Zeeland-West-Brabant het volgende:

“Aan artikel 29 Sv ligt het belangrijke beginsel ten grondslag dat niemand verplicht kan worden of gedwongen kan worden aan zijn eigen veroordeling mee te werken. Een uitwerking van dit beginsel is het zwijgrecht. Dit zwijgrecht is blijkens de jurisprudentie van de Hoge Raad en het EHRM absoluut, er zijn geen feiten of omstandigheden op grond waarvan hierop een uitzondering wordt gemaakt. Dit brengt met zich dat een verhorende ambtenaar verplicht is de verdachte voor ieder verhoor mee te delen dat hij niet tot antwoorden verplicht is. Bij een rechtspersoon dient de cautie aan zijn vertegenwoordiger te worden verleend. Als vertegenwoordigers van verdachte zijn in het voorbereidend onderzoek [productieleider 1] en [werknemer 7] gehoord. Aan hen is de cautie gegeven en alleen aan hen komt ook het zwijgrecht toe. De rechtbank is van oordeel dat aan de werknemers van Dow, die gehoord zijn als getuigen in het onderzoek, niet het zwijgrecht toekomt. In zoverre treft het verweer dan ook geen doel.”

Tegen deze uitspraak is hoger beroep ingesteld.

Wij menen dat dit een te beperkte uitleg is van het zwijgrecht van de rechtspersoon. In het mededingingsrecht vindt deze beperkte uitleg dan ook geen gehoor. Het College van Beroep voor het bedrijfsleven oordeelt zelfs:

“Voorts overweegt het College dat deze beperking de onderneming een effectieve bescherming door middel van het zwijgrecht ontneemt.”

Kortom, indien een (ex)werknemer wordt gevraagd naar de bedrijfsvoering van een verdachte rechtspersoon zonder dat aan hem de cautie is gegeven, dan betekent dit dat het zwijgrecht illusoir is. Op grond van artikel 14, derde lid, onder g, van het IVBPR mag niemand bij het bepalen van de gegrondheid van een tegen hem ingestelde strafvervolging worden gedwongen tegen zichzelf te getuigen of een bekentenis af te leggen. Het zwijgrecht wordt ook, zij het impliciet, gewaarborgd in artikel 6, eerste lid EVRM. Een beperkte uitleg van het zwijgrecht levert wat ons betreft dan ook een schending van deze bepalingen op.

Maar zelfs al zouden (ex)werknemers de status van getuige behouden in ons strafrechtelijk stelsel, dan moet wat ons betreft de getuige op zijn minst geïnformeerd worden over zijn rechten. Een getuige is immers geenszins verplicht om een verklaring af te leggen aan de politie of de FIOD. Dit terwijl werknemers wel veelal over een geheimhoudingsclausule in hun contract beschikken. Werknemers worden op die manier voor een oneigenlijke keuze gesteld, terwijl de FIOD niet vertelt welke rechten de getuige toekomt. Uiteraard zijn wij ervan op de hoogte dat de Hoge Raad heeft geoordeeld dat een getuige niet op hun rechten hoeven te worden gewezen. Maar het is niet de eerste keer dat de Hoge Raad terugkomt op zijn eigen jurisprudentie.

In het belang van de rechtsbescherming van de verdachte rechtspersoon of het belang van de getuige menen wij dat er meer duidelijkheid moet komen over de positie van de werknemer van een verdachte rechtspersoon.

Vind jij dat de rechten van (ex)werknemers van een verdachte rechtspersoon voldoende rechtsbescherming genieten?

[1] HR 25 juni 1991, ECLI:NL:HR:1991:ZC8665.

Geen reacties

Plaats een reactie