#099: Een stukje rechterlijke ongehoorzaamheid?

In artikel #80 besteedden wij reeds aandacht aan een trend die waarneembaar is, waarin de Hoge Raad streng toeziet op het niet-ontvankelijk verklaren van het Openbaar Ministerie en feitenrechters daarentegen streng toezien op het handelen van het Openbaar Ministerie met al dan niet niet-ontvankelijkheid tot gevolg. Ook deze week kwamen wij een recent gepubliceerde uitspraak van een politierechter tegen waarin het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk werd verklaard. Recent benadrukte de Hoge Raad opnieuw dat het ten onrechte niet vervolgen van derden wier gedragingen evenzeer als die van de verdachte het voorwerp van strafvervolging dienen te zijn, niet zonder meer leidt tot niet-ontvankelijkheid van de officier van justitie in de strafvervolging tegen de verdachte. De Hoge Raad herhaalt hiertoe de toepasselijke overwegingen uit zijn arrest van 16 april 1996 (NJ 1996, 527).

Ook in de praktijk maken wij niet vaak mee dat een beroep op het gelijkheidsbeginsel en het verbod van willekeur tot niet-ontvankelijkheid leidt. Om die reden brengen wij graag deze uitspraak van de politierechter onder de aandacht om dit verweer wellicht wat nieuw leven in te blazen.

In deze zaak bestaat een verdenking van het voorhanden hebben van wapens en munitie als bedoeld in de Wet wapens en munitie. Deze goederen zijn aangetroffen in een auto bij twee verdachten. De zaak van de ene verdachte wordt geseponeerd en de zaak van de andere verdachte wordt vervolgd omdat de auto op naam van de moeder staat. De zaak van de mede verdachte wordt geseponeerd met sepotcode 02.

De verdediging doet een beroep op het verbod van willekeur en verzoekt de rechter de officier van justitie niet-ontvankelijk te verklaren. De officier van justitie erkent dat de zaken bewijstechnisch bijna gelijk zijn, maar wijst op het feit dat de verdachte al eerder is veroordeeld ter zake van de Wet wapens en munitie en doet een beroep op het opportuniteitsbeginsel. De politierechter overweegt het volgende:

“Op grond van het voorgaande stelt de politierechter vast dat de verdachte en [medeverdachte] op het moment van het nemen van de vervolgingsbeslissing in een sterk vergelijkbare positie verkeerden. Ten aanzien van de feiten geldt dat de zaken tegen de verdachte en [medeverdachte] in de kern gelijk zijn. Er zijn wel verschillen, maar deze zijn van ondergeschikte betekenis en rechtvaardigen in elk geval niet de conclusie dat de verdenking jegens de verdachte zwaarder is dan tegen [medeverdachte]. Ten aanzien van de persoonlijke omstandigheden kan niet worden vastgesteld dat er een relevant verschil in justitiële documentatie tussen de verdachte en [medeverdachte] bestaat. Daarbij komt dat ook niet is gebleken dat een verschil in justitiële documentatie de reden is geweest om de verdachte wel en [medeverdachte] niet te vervolgen, nu de zaak tegen [medeverdachte] is geseponeerd met code 02 (de politierechter begrijpt: een technisch sepot op grond van onvoldoende bewijs).”

Hieruit kunnen wij afleiden dat de inhoud van de sepotcode overeen moet komen met de argumenten die de officier van justitie aandraagt voor het vervolgen. Persoonlijke omstandigheden kunnen niet doorslaggevend zijn als de sepotcode ziet op het hebben van onvoldoende bewijs. De vraag is uiteraard of deze uitspraak stand houdt bij de Hoge Raad. Wij zouden menen van wel aangezien het niet te begrijpen is dat de officier van justitie wel spreekt over bewijstechnisch dezelfde zaken maar een bewijstechnische sepotcode hanteert.

Zie jij in deze uitspraak aanleiding om het beroep op het gelijkheidsbeginsel en het verbod van willekeur nieuw leven in te blazen?

Geen reacties

Plaats een reactie